Opinie | Het collectieve geheugen is selectief en onbetrouwbaar

Koen

Opinie van Koen Aerts (UGent) in De Standaard op 5 mei 2025

Aan collectieve herinneringen heb je weinig, wat telt, is collectief weten, schrijft Koen Aerts. Alleen zo vorm je een collectief geweten. Daarvoor zijn archieven onmisbaar. De zoektocht naar historische waarheid is een mensenrecht.

In 1995 merkte de Frans-Canadese marien bioloog Daniel Pauly dat collega-onderzoekers het begin van hun carrière namen als referentiepunt om uitspraken te doen over de afname van het wereldwijde visbestand. Daarbij misten ze dat vorige generaties onderzoekers ander vergelijkingsmateriaal hadden voor de ‘normale’ of natuurlijke grootte van de vispopulatie. Die generationele amnesie noemde hij het “shifting baseline syndroom”: een gevaar voor een toekomstgericht natuurbeleid, omdat de mens slecht in staat blijkt natuurervaringen en -herinneringen van generatie op generatie door te geven.

Tachtig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog kunnen we voor een toekomstgericht vredesbeleid gelukkig vertrouwen op een florissante herinneringsindustrie. In jubileumjaren gonst het altijd net iets harder dat de herinnering ons voor een herhaling van de gruwel kan behoeden. Dat we vandaag met klamme handen terugkijken op acht decennia vrede getuigt niettemin vooral van een eurocentrisch – en in het bijzonder – West-Europees kokerzicht. De Franse socioloog Maurice Halbwachs, die in 1945 in concentratiekamp Buchenwald overleed, had er zijn concept van de ‘sociale kaders van het collectieve geheugen’ rijkelijk mee kunnen illustreren. Dat het Westen tijdens de Koude Oorlog negeerde dat de nederlaag van nazi-Duitsland zonder de Sovjet-Unie onhaalbaar was geweest, is maar één voorbeeld van hoe gedeelde herinneringen zich (ver)vormen binnen groepen, samenlevingen en staten. Net zo eenzijdig herdachten bevrijders en bevrijden jaar na jaar vrolijk de vrijheid terwijl ze elders de onderdrukking installeerden. In Oost-Europa hield de Sovjet-Unie democratische aspiraties krachtig onder de knoet, de Verenigde Staten brachten wereldwijd op gewelddadige wijze verkozen regeringen ten val en West-Europa bestreed met bloed de onafhankelijkheid van haar kolonies. De tachtigjarige vrede is niet meer dan een illusie, gebaseerd op een selectief referentiebeeld.

Een collectief geheugen is dus allerminst hetzelfde als een collectief weten. Het eerste gaat over de herinneringen die we elkaar doorgeven en delen, de verhalen die we elkaar vertellen – niet zelden waar we ons comfortabel bij voelen, ter verbinding en verdichting van onze identiteit. Het tweede is de vrucht van degelijke geschiedschrijving, gebaseerd op bronnen waaraan we die verhalen toetsen en zo nodig corrigeren. De democratische kracht van geschiedenis ligt vooral in dat kritisch-wetenschappelijke onderzoek.

Variapuntje vier

In hun uitstekende boek Mechelen 1940-1945 citeren Geert Clerbout en An Rydant een merkwaardig verslag over de oorlogsgebeurtenissen van het Mechelse stadsbestuur uit 1947. Het omstandige rapport van 40 pagina’s maakt slechts terloops, in een vierde variapunt, gewag van de rol van Kazerne Dossin en dus van de Jodendeportaties. In een vierde variapunt (!), nog ná de melding dat bakkerij Volksbelang tijdens de bezetting een hoge boete opgelegd kreeg. Sterk. Al in januari 1944 bekloeg de Joods-Hongaarse auteur Arthur Koestler zich in The New York Times over ons onvermogen ons iets voor te stellen bij de informatie die toen al over de genocide circuleerde. Zijn essay ging onder de titel “The nightmare that is a reality”, maar in het Mechelse rapport was de Jodenvervolging – twee jaar na de bevrijding van Auschwitz-Birkenau – niet meer dan een fait divers. Het gaat dan niet langer om onvoorstelbaarheid, maar om onverschilligheid. Gelukkig is ons referentiepunt niet meer hetzelfde: dankzij onderzoek weten we dat meer dan een vierde van de bijna tachtigduizend oorlogsdoden uit België in die kazerne passeerden.

Onderzoek vrijwaren en stimuleren is noodzakelijk om met ons historische referentiekader ook onze morele horizon te ijken, zodat ons collectieve geheugen ook tot een collectief ‘geweten’ kan uitkristalliseren. Een gezonde democratie kan daarom beter investeren in een structureel wetenschapsbeleid, in het bijzonder in haar archieven. Primaire bronnen zijn broodnodig om de geschiedenis over- en inzichtelijk maken, zo mogelijk scherp te stellen in de hoogste resolutie. Koestler schreef het al in zijn essay: “Statistieken bloeden niet; het is het detail dat telt.” Aandacht voor de fijnste korrel werkt overtuigend. Dat is waarom een organisatie als Archiefpunt met steun van het Departement Cultuur een grootschalig project opzet om oorlogsdagboeken en andere waardevolle getuigenissen van de papiercontainer te redden.

Waar het schoentje wringt

Maar bronnen zijn niet genoeg. Je moet ze ook adequaat bewaren, ontsluiten en aan het publiek ter beschikking stellen. Anders blijven ze onbenut. En daar wringt in België soms het schoentje. Vlaams minister van Cultuur Caroline Gennez (Vooruit) kondigde vorige vrijdag een Vlaamse commissie aan voor naziroofkunst. Aan de basis ligt het baanbrekende studiewerk van De Standaard-journalist Geert Sels, die daarvoor in de eerste plaats opzoekingen verrichtte in federale in plaats van Vlaamse overheidsarchieven. De Belgische toekomst is dan wel minder gedeeld, dat verleden blijft één. Als we ons gewetensonderzoek voor de toekomst willen verzekeren, stelt zich in de besparingslogica van een boedelscheiding dus een grote uitdaging.

We zijn het in Europa namelijk verplicht de archiefwerking veilig te stellen, als we tenminste de wettelijke les van de Tweede Wereldoorlog – het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens – serieus willen nemen. Amper een jaar geleden, eind juni 2024, oordeelde het Europees Hof nog dat de zoektocht naar historische waarheid “een integraal onderdeel is van de vrijheid van meningsuiting”. Aanleiding was een veroordeling van Rusland omdat het onderzoekers geen toegang verleende tot gerechtelijke dossiers uit de Sovjettijd. Het arrest huldigde de redenering dat een land pas volledig democratisch is als alle inwoners de mogelijkheid krijgen om op objectieve wijze hun geschiedenis te leren kennen.

Lees er de dankbetuigingen in de vele studies maar op na: in onze archiefinstellingen werken hooggekwalificeerde experts. Maar zij kunnen hun democratische functie pas ten volle vervullen als ze over voldoende middelen beschikken. Een archief dat wil inzetten op de toekomst, moet toegankelijk zijn, van geschikte depots en leeszalen tot digitale zoekportalen. Bovendien is de toegang tot het verleden geen louter materiële kwestie, maar ook een zaak van performante regelgeving.

Collaboratiedossiers

Geef om te beginnen alle burgers inzage in de strafdossiers van de collaboratie, niet alleen nabestaanden en academici. Met de kennisname van die bronnen zal meteen het populaire, maar foute referentiebeeld sneuvelen dat de strijd aan het oostfront louter een anti-bolsjewistische was, los van het nationaalsocialisme – de genocidaire operaties incluis. En, minstens zo belangrijk als proactief: verplicht kabinetten en ministers net zoals in Nederland om na een termijn hun archieven over te dragen. Goed gefinancierde archiefdiensten kunnen pas dan hun democratische controle en waakzaamheid optimaliseren. Dat is nodig, misschien wel meer dan ooit – nu we van genocide niet alleen de statistieken, maar ook de details kennen.

In de Nederlandse krant Trouw trokken onderzoekers onlangs aan de alarmbel omdat het archief van het Joegoslaviëtribunaal dreigt teloor te gaan. Het omvat nochtans unieke bronnen die oorlogsmisdaden documenteren. In de geest van de naoorlogse internationale rechtsorde zijn die historische bewijzen cruciaal om ook onze actuele houding voortdurend te bevragen, ter correctie van onze ‘shifting baseline’ – zodat we ons ook vandaag op beleidsniveau van onze onvoorstelbaarheid en onze onverschilligheid kunnen bevrijden.

Herdenkingen zijn daarom pas echt historische hoogdagen als politici zich engageren om een sterk, toegankelijk en transparant archiefbeleid te garanderen. Pedagogisch zit daar meer preventiepotentieel dan in de slogan “dat nooit meer”. Als we later zouden beweren dat we ons de hedendaagse gruwel zo niet herinneren, zullen we tenminste niet kunnen beweren dat we het niet hebben geweten.