
Mei 2021. Een lieve vriendin signaleert me dat Kristien Hemmerechts op zoek is naar vrijwilligers voor het transcriberen van dagboeken, van een zekere Leopold Flam; of dat niets voor mij zou zijn? Ik stuur een mail naar Kristien. Een paar dagen later begin ik al met het uittikken van een eerste dagboek, eentje uit 1931. Vanaf de eerste bladzijden ben ik gefascineerd door die jonge, hunkerende Flam, die razend verliefd is op zijn Julia Isbutsky en worstelt met zijn ‘geslachtsdrift’. Ik wil méér van die Flam.
Ik krijg een tweede dagboek toegespeeld, deze keer een lijvig dagboek uit 1957. Daarin stuit ik op deze notitie:
"Dinsdag, 27 augustus 1957. Ik herinner me dat ik tevreden was toen de Duitsers me aanhielden op 15 maart 1944. Ik zei toen tot mezelf, toen ik naar de kelder van de Sicherheitsdienst gesleept werd, dat ik tenminste van mijn vrouw bevrijd was. Ik verbeeld het me niet want ik heb het toen gedacht, en deze gedachte schonk me trouwens de moed tot grote berusting. Weer vrij en onder normale mensen beleefde ik op een adembeklemmende wijze dat ik in een nog ergere gevangenschap geraakt was, en dat was het samenleven met mijn vrouw."
Hoogst verrassend is dat, shockerend zelfs. Maar ook intrigerend natuurlijk: wie is die man, die met zoveel stelligheid beweert dat zijn huwelijksleven erger is dan de kampen die hij heeft overleefd? Een antwoord vinden op die ‘adembeklemmende’ vraag is wat me de daaropvolgende vierenhalf jaar zou bezighouden.